De massale uitsterving die ongeveer 66 miljoen jaar geleden plaatsvond, wordt vaak geassocieerd met één enkele dag van totale vernietiging. Recent onderzoek naar sedimenten aan de Amerikaanse kust suggereert echter dat de aarde na de inslag van een gigantische asteroïde in een periode van decennialange instabiliteit terechtkwam. Deze 'slechte decennia' zorgden voor een aanhoudende milieuverslechtering die de overlevingskansen voor talloze organismen drastisch verlaagde.
De ramp begon met de inslag van een asteroïde met een diameter van maximaal 15 kilometer in het gebied dat nu bekendstaat als de Golf van Mexico. Deze gebeurtenis leidde tot de vorming van de Chicxulub-krater. Hoewel de initiële klap immens was, stelt newscientist.com dat dit slechts het startpunt was van een veel langer proces van wereldwijde destructie.
De fysieke impact was zo krachtig dat de aardkorst tot een diepte van 35 kilometer werd vervormd. Deze enorme energetische ontlading zorgde ervoor dat de inslagplaats nog miljoenen jaren na de gebeurtenis warm bleef. Naast de lokale schade ontstonden er wereldwijde seismische schokgolven. Kenneth Miller van de Rutgers University in New Jersey legt uit dat de inslag een aardbeving veroorzaakte met een magnitude tussen de 10 en 11, wat over de hele planeet voelbaar was.
Deze seismische activiteit had verwoestende gevolgen voor de oceanen. In de buurt van de inslagzone ontstonden tsunamis die mogelijk een hoogte van een kilometer bereikten. Miller beschrijft de impact metaforisch door te stellen dat de inslag "de bel van de planeet luidde", waarbij de echo van deze ramp gedurende decennia bleef doorklinken. Volgens de berichtgeving van was er dus sprake van een langdurige geologische instabiliteit in plaats van een kortstondig incident.
Parallel aan de aardbevingen en vloedgolven vond er een atmosferische catastrofe plaats. Tijdens de inslag werd een gigantische hoeveelheid puin de ruimte in geslingerd. Bij de terugkeer in de atmosfeer verbrandde dit materiaal, wat resulteerde in een wijdverspreide regen van vuur die grote delen van het aardoppervlak in brand stak.
Het bewijs voor deze langdurige degradatie is teruggevonden in sedimentlagen aan de kust van New Jersey. Ondanks dat deze locatie zich duizenden kilometers van de krater bevindt, tonen de afzettingen aan dat organismen veel langer werden blootgesteld aan extreme omgevingsfactoren dan voorheen werd aangenomen. Zoals beschreven door , verandert dit inzicht de wetenschappelijke visie op de periode direct na de impact fundamenteel.
De combinatie van extreme hitte, wereldwijde branden, gigantische tsunamis en aanhoudende seismische activiteit maakte een einde aan bijna alle dinosauriërs, met uitzondering van de vogels. De ontdekking dat de chaos decennia aanhield, werpt een nieuw licht op waarom zoveel soorten niet in staat waren zich aan te passen of te herstellen. De aarde bevond zich in een staat van permanente crisis, waarbij de natuurlijke habitats systematisch werden afgebroken. De analyse in onderstreept dat de overleving van soorten niet alleen afhing van de eerste klap, maar van het vermogen om te overleven in een wereld die decennialang onbewoonbaar bleef.