In de Daohugou-regio van Binnen-Mongolië is een paleontologische vondst gedaan die fundamentele vragen over de vroege evolutie van zoogdieren beantwoordt. Lokale boeren stuiten op het fossiel van een dier uit het Jura, dat door wetenschappers is geïdentificeerd als een nieuw genus: de Megacauda sungei. Dit wezen behoort tot de zogenaamde 'mammaliformen', een groep die ouder is dan de gemeenschappelijke voorouder van de huidige placentaire zoogdieren, buideldieren en monotreemden.
De wetenschappelijke waarde van deze ontdekking ligt vooral in de ongekende staat van bewaring van de keelregio. Volgens een artikel van newscientist.com stelt dit onderzoekers in staat om voor het eerst concreet bewijs te analyseren over hoe het zogen is ontstaan. De anatomie van de keel is namelijk een van de meest kenmerkende biologische eigenschappen die zoogdieren onderscheiden van andere gewervelde dieren.
Zhe-Xi Luo, verbonden aan de Universiteit van Chicago, benadrukt dat de manier waarop zoogdieren voedsel slikken en melk opzuigen uniek is. Dankzij de Megacauda sungei kon de volledige structuur van de keel worden gereconstrueerd. De botstructuren onder de schedel en de hyoïdoidea (tongbeentjes) zijn in drie dimensies bewaard gebleven. Deze specifieke anatomie maakte het voor het dier mogelijk om een vacuüm te creëren, een essentiële voorwaarde om melk op te zuigen en voedsel efficiënt door te slikken, zoals beschreven door .
Het dier vertoont een opvallende mix van fysieke kenmerken, waardoor het door onderzoekers bijna als een 'chimera' wordt omschreven. Terwijl de schedel en het gebit sterke gelijkenissen vertonen met die van een moderne rivierotter, doet de achterzijde van het lichaam denken aan een vogelbekdier. Deze combinatie wijst erop dat de Megacauda sungei een van de vroegste bekende mammaliformen was die zich aanpaste aan een semi-aquatisch bestaan. De naam van de soort is overigens een eerbetoon aan de paleontoloog Sun Ge en verwijst naar de brede staart van het dier.
Het fossiel dateert uit een periode tussen 163 en 168 miljoen jaar geleden, een tijdperk waarin dinosauriërs de aarde domineerden. Met een geschat gewicht van ongeveer één kilogram was dit dier het grootste mammaliform uit het Midden- tot Laat-Jura. De vondst bewijst dat vroege zoogdierachtigen al zeer gespecialiseerde niches in het ecosysteem innamen, zoals het leven in en rond het water, terwijl ze tegelijkertijd complexe biologische mechanismen ontwikkelden voor de zorg voor hun jongen.
De reconstructie van de keelanatomie is van cruciaal belang omdat deze weefsels en structuren normaal gesproken zelden fossiliseren. De gedetailleerde staat van het bekken en de keelbotten biedt volgens een zeldzame kans om fysiologische processen uit het verre verleden te begrijpen. Hiermee is aangetoond dat de basis voor melkvoeding al zeer vroeg in de stamboom van de zoogdieren aanwezig was.
Door de combinatie van het vermogen om te kauwen, de gespecialiseerde keel voor het zogen en de aanpassing aan een waterrijke omgeving, markeert de Megacauda sungei een belangrijke evolutionaire stap. De ontdekking werpt een nieuw licht op de complexiteit van vroege zoogdierachtigen en hun overlevingsstrategieën in een wereld vol reuzen, zoals verder uitgelicht door .